NFK DokuWiki

Εν οίδα ότι ουδέν οίδα

User Tools

Site Tools


opo:nl:ba3:sem2:taalfilosofie

Analytische wijsbegeerte en taalfilosofie

Vakbeschrijving

KULeuven Vakpagina

Vanaf 2020-2021 is Analytische wijsbegeerte (zie DokuWiki pagina Anglo-Amerikaanse wijsbegeerte) geen apart vak meer. Het is nu samengevoegd met Taalfilosofie.

Studiemateriaal

  • SlidesAlles (en eigenlijk enkel?) wat aan bod komt in de les.
  • Boek “Het Teken en de Wereld” door Filip Buekens
  • Teksten en extra cursusmateriaal op Toledo

Opinies

“Alleszins een verstaanbaar, helder gebracht vak.”

Downloads

Examenvragen

2016-2017 (F. Buekens)

1. Contrasteer en vergelijk het communicatieschema van Roman Jakobson en Peter Godfrey-Smith.

2. Bespreek het probleem met de metalinguïstische analyse van identiteitsuitspraken + verband onderscheid Use/Mention.

3. Hoe lost een Kripkeaan de Avondster/Ochtendster-puzzel van Frege op?

4. Contrasteer framing met conversationele implicaturen. Welke centrale kenmerken van implicaturen heeft framing niet?

5. Wat is rationele ignorantie? Welke rol speelt het in Pinkers theorie over indirect spreken? Geef voorbeelden van rationele ignorantie.

6. Verschil tussen proposities en beweringen.

7. Grice over Humpty Dumpty’s ‘glory’ + wat leert dat over normativiteit en betekenis?

2013-2014 (Filip Buekens)

  • Leg uit: communicatie vereist dat de partners gelijkaardige belangen hebben
  • Leg uit wat Frege bedoelt als hij zegt dat je objecten nooit met hun namen mag verwarren.
  • Geef drie argumenten voor het compositioneel karakter van natuurlijke talen.
  • John Campbell schrijft: ‘Something as unexpected as knowledge of the sizes and shapes of play pens and writing pens may be needed to construe (the meaning of) ‘The box was in the pen’. The alleged inferential insulation of semantic knowledge is, then, a myth’ (Campbell, ‘Knowledge and Understanding’, p. 202). Wat kun je over deze uitspraak zeggen?
  • Leg uit: semantisch kennis is modulair, pragmatiek steunt op inferenties.
  • leg uit wat een cue is met behulp van Grices notie van natuurlijke betekenis en het communicatieschema van Peter Godfrey-Smith.
  • Leg uit wat natuurlijke betekenis is met het communicatieschema van Godfrey-Smith
  • Wat is het onderscheid tussen decoderen en infereren in het begrijpen van uitingen?
  • Leg uit: wat omvat het use/mention onderscheid ? Voorzie een illustratie. Waarom betreft het hier een relevante (methodologische) distinctie met betrekking tot onderzoek van taal ?
  • Leg uit: de distinctie tussen objecttaal en metataal. Waarom betreft het hier een relevante (methodologische) distinctie met betrekking tot onderzoek van taal ? (Leg de relatie met het use/mention onderscheid).
  • Freges eerste inzicht: ‘verwar nooit de naam van een object met het object.’ Leg uit en geef aan waarin de relevantie ligt van deze distinctie. Hoe kan deze distinctie gelinkt worden aan het onderscheid tussen identiteitsuitspraken en de identiteitsrelatie ? Geef voorbeelden.
  • Frege’s tweede inzicht: ‘de zin is de basiseenheid van de taal.’ Leg uit wat hier bedoeld wordt. Voorzie drie argumenten die pleiten voor deze aanpak.
  • ‘Op basis van een eindig aantal (semantische en syntactische) regels kunnen we oneindig veel zinnen begrijpen.’ Leg uit: wat onthult dit verschijnsel omtrent de basiseenheid voor analyse van betekenis in taal?
  • Leg uit wat hier bedoeld wordt: ‘we dienen te onderscheiden tussen de letterlijke betekenis van een zin en de cognitieve voorstelling die wordt opgeroepen door een zin.’
  • Leg uit wat hier bedoeld wordt: ‘we dienen te onderscheiden tussen de letterlijke betekenis van een zin en de cognitieve voorstelling die wordt opgeroepen door een zin.’ Leg een link met J. Searle’s begrip van de Background.
  • Geef een argument voor Freges stelling dat de kleur van een term niet relevant is voor de propositie die wordt uitgedrukt door de zin waarin hij voorkomt.
  • Leg uit: Als S, S’ verschillende proposities uitdrukken, dragen de termen in S en S’ iets verschillend bij tot de door S, S’ uitgedrukte propositie
  • als twee namen N en N' dezelfde semantische waarde hebben, zijn ze substitueerbaar salva veritate in de zinnen waarin ze voorkomen.
  • Leg uit hoe zinnen een functie-argument structuur toegekend krijgen in de theorie van Frege
  • Wat is substitutie salva veritate? Laat zien dat dit niet opgaat in intensionele contexten.
  • Wat is het verschil tussen de identiteitsrelatie en een identiteitsuitspraak ?
  • “In semantiek vervult het beoordelen van een zin S als waar of onwaar een belangrijke heuristische functie.” Wat betekent dat?
  • Geef drie verschillende interpretaties aan de zin ‘Arthur Blair is George Orwell’
  • Leg uit: de Sinn van een naam legt de wijze van presentatie van de drager van de naam vast.
  • ‘De semantische waarde van een naam is zijn bijdrage tot de propositie die een zin (waarin die naam voorkomt) uitdrukt. Welke rol speelt dit punt in Freges argument voor Betekenissen?
  • Wat is het probleem van fictionele entiteiten in de semantiek?
  • Bespreek twee opvattingen over de relatie tussen Betekenis en referentie.
  • Wat is de Intentional Stance? Hoe kun je theorieën over de Intentional Stance met Grice verbinden?
  • Wat betekent het te zeggen dat een Fregeaanse Sense vastlegt hoe een object je gepresenteerd wordt? Geef voorbeelden.
  • Wat is het probleem van fictie in Frege’s taalfilosofie?
  • Leg uit: Als we personen aan de norm van consistentie laten voldoen, dan moeten we Sinne introduceren.
  • Wat is het bottleneck-fenomeen in taalgebruik?
  • Leg uit: in interpretatie proberen we een optimale propositie aan een uiting toe te kennen.
  • Leg de interactie tussen het maxime van kwaliteit en kwantiteit uit in de context van het bottleneck-probleem in taalgebruik.
  • Wat is het coöperatieprincipe? Leg uit hoe Grice dit motiveert voor niet-communicatief handelen (lees daarom Logic and Conversation van Grice, dit is een zoekopdracht)
  • Wat gebeurt er volgens Grice als we een maxime overtreden? (lees daartoe de relevante passages in Logic and Conversation).
  • Leg uit wat Grice bedoelt als hij stelt dat de maximes geen conventies zijn (idem)
  • Wat is framing? Waarom is framing geen Griceaans fenomeen?
  • Letterlijke betekenis zegt niet wat de spreker communiceert. Leg uit.
  • Hoe herken je wat iemand bedoelt met een signaal (volgens Grice) ?
  • Leg uit hoe communicatie verschilt van het manipuleren van anderen. Gebruik in je uitleg Griceaanse concepten.
  • Wat is framing ? Geef een eigen voorbeeld.
  • Wat zegt D. Kahneman over Framing?
  • Bespreek de sociale psychologie van indirect spreken. Leg uit hoe indirect spreken een last legt op de hoorder.
  • Welke rol speelt de toehoorder (derde persoon) naast de spreker en de hoorder in Pinkers theorie over indirect spreken?
  • Volgens Pinker is spreken niet altijd coöperatief. Leg uit.
  • Leg het voordeel uit van indirect spreken. Wat zouden de voordelen van direct spreken kunnen zijn?
  • Wat weet je over de modale aspecten van spijt? Ken je nog andere emoties die comparatief zijn?
  • Hoe schrijf je in modale logica op dat de propositie p contingent waar is?
  • Leg uit waar in de theorie van Kripke het arbitrair karakter van de verbinding tussen de naam en zijn drager relevant is.
  • Waarom is het arbitrair karakter van de verbinding tussen de naam en zijn drager geen objectie tegen Kripkes modale intuïtie?
  • Leg uit: namen en beschrijvingen gedragen zich anders in modale contexten.
  • Leg uit: Het kennen van een referentie-determinerende beschrijving is noch voldoende, noch noodzakelijk om naar Elio Di Rupo te kunnen verwijzen met de naam ‘Elio di Rupo’
  • Wat is het verschil tussen spreken over ‘Elio di Rupo’ en spreken over Elio di Rupo ?
  • Geef Kripkes argument voor de stelling dat Willem Elsschot noodzakelijk identiek is met Alfons de Ridder.
  • Waarom is Multatuli noodzakelijk identiek met Edward Douwes Dekker? Hoe verzoen je dat met de idee dat Multatuli een ander pseudoniem voor zichzelf kon bedenken?
  • Laat met een formeel-logisch principe zien dat namen en beschrijvingen zich anders gedragen in modale contexten.
  • Hoe komt een naam aan zijn drager volgens Kripke?
  • Leg de relatie tussen voorstelbaarheid en metafysische mogelijkheid uit.
  • Welke kritiek geeft Kripke op Kant?
  • Welke kritiek geeft Kripke op Hume?
  • Wat zijn contingente a priori ware uitspraken?
  • Hoe komen dingen aan hun namen volgens Kripke? Hoe gebeurt dat volgens Frege?
  • Hoe lost Kripke Freges probleem van het informatief karakter van identiteitsuitspraken op?
  • ‘We gaan dit object een Volkswagen noemen’. Leg uit wat er volgens Kripke in deze taalhandeling plaats vindt.
  • Leg uit: je kunt een naam met een referentie-vastleggende beschrijving introduceren. Geef voorbeelden.
  • Denkvraag: bevat de wiskunde rigiede verwijzers?
  • Denkvraag: ‘Als ik in Londen geboren zou zijn, zou ik beter Engels spreken’. Laat zien waarom het woord ‘ik’ in deze zin als rigiede verwijzer functioneert.
  • Denkvraag: ‘het woord ‘ik’ verwijst altijd naar de spreker van de uiting.’ Geeft deze uitspraak de Betekenis (Sense, Sinn) van het woord ‘ik’ aan? Waarom wel, of juist niet? Motiveer je antwoord.
  • Wat zijn performatieve taalhandelingen?
  • Leg uit: het slagen van een taalhandeling behoort tot het terrein van de pragmatiek.
  • Welke Austiniaanse handeling stuurt je communicatieplan aan (volgens John Perry)?
  • We zagen dat er vier epistemische normen voor beweringen bestaan. Rangschik ze, en geef argumenten pro en contra voor die normen.
  • Wat weet je over de perlocutieve dimensie van taalhandelingen?
  • Leg de relevantie van de Loterijparadox uit voor een theorie over correcte beweringen.
  • Denkvraag: wanneer slaagt een vraag? Wanneer is het correct een vraag te stellen? Motiveer je antwoord.
  • Denkvraag: wanneer is het correct iets te verzoeken? Wanneer slaagt een verzoek? Motiveer je antwoord.
  • Welk argument geeft Peter Geach voor de stelling dat morele evaluaties proposities uitdrukken?
  • Geef een aantal criteria waarop je de taalhandeling beweren kunt evalueren.
  • Wat zouden goede argumenten tégen de kennisnorm voor beweringen kunnen zijn? Motiveer je antwoord.
  • Geef Daniel Kahneman’s notie van framing een plaats in Austin’s taxonomie van taalhandelingen. Motiveer je antwoord.
  • Leg het verband tussen de kennisnorm voor beweringen en de klassieke definitie van kennis.
  • Hoe deelt Michael Tomasello perlocutieve handelingen in?

2011-2012 (Filip Buekens)

  • Bespreek het onderscheid tussen refereren als relatie tussen sprekers en objecten, en refereren als relatie tussen verwijzende uitdrukkingen en objecten. Waar liggen de discrepanties?
  • Waarom zegt ‘a = b’ volgens Frege niet dat de semantische waarde van ‘a’ dezelfde is als de semantische waarde van b?
  • Leg uit: Betekenis determineert referentie.
  • Wat zijn direct referentiële termen?
  • Geef twee leeswijzen van de ontkenning van ‘de koning van Frankrijk is kaal’.
  • Welke argumenten kun je geven tegen de stelling dat betekenis subjectief is?
  • Waarom impliceert de Wittgenstein-Davidson theorie over metaforen geen subjectivisme omtrent betekenis?
  • Leg het onderscheid uit tussen de re en de dicto propositionele attituden.
  • Leg het onderscheid uit tussen factieve en niet-factieve propositionele attituden?
  • Leg uit: syntactisch volledige zinnen kunnen onvolledige proposities uitdrukken.
  • Welke epistemologische overwegingen verbond Russell met het gebruik van indexicale uitdrukkingen?
  • Wat is ‘vertrouwdheid met de referent’ (acquaintance)?
  • Wat is het onderscheid tussen attributief en referentieel gebruik van uniek bepalende beschrijvingen? Geef voorbeelden.
  • Welke kritiek kun je op de betekenistheorie van Locke geven? Wat zegt Frege over de subjectieve dimensie van woorden c.q. hun betekenis?
  • Leg uit waarom ‘iemand verontrusten’ geen illocutieve handeling is.
  • Zijn performatieve uitspraken zelf-verifiërend?
  • Leg uit: taalhandelingen zijn object van acceptatie/verwerping.
  • Laat zien dat twee zinnen die niet logisch equivalent zijn, toch pragmatisch equivalent kunnen zijn.
  • Waarom zijn ‘ik beweer dat de aarde rond is’ en ‘de aarde is rond’ niet logisch equivalent?
  • Wat zijn illocutieve handelingen? Waarin verschillen ze van perlocutieve handelingen?
  • Zijn perlocutieve handelingen altijd communicatieve handelingen?
  • Wat zijn niet-geïntendeerde effecten van taalhandelingen?
  • Wat is framing? Geef voorbeelden.
  • Volgens welke dimensies kun je taalhandelingen evalueren?
  • Leg uit: het Schelling-kenmerk F van een Griceaans teken is niet zijn betekenis.
  • Wat is het verband tussen Grice en sociale cognitie? (uitgelegd in college, niet in Morris!)
  • Wat is volgens Grice het verband tussen betekenis en bedoeling?
  • Leg uit: niet alle methoden om een overtuiging te veroorzaken berusten op communicatieve * intenties
  • Wat werd opgemerkt over betekenis en teleologie?
  • Wat zijn conversationele implicaturen? Hoe leiden we die af?
  • Leg uit: de semantische waarde van termen wordt in de actuele wereld vastgelegd. Welke gevolgen heeft dat?
  • Licht de standaardinterpretatie van modale operatoren toe.
  • Wat houdt de toegankelijkheidsrelatie tussen mogelijke werelden in (in de context van actualisme omtrent mogelijke werelden)?
  • Bespreek het onderscheid tussen de materiële en de contrafactische implicatie. Geef een voorbeeld.
  • Leg uit: mogelijke werelden worden gestipuleerd, niet ontdekt.
  • Wat is de epistemische lezing van ‘het is mogelijk dat p’ ?
  • Bespreek het onderscheid tussen mogelijkheid en voorstelbaarheid. Waarom is dit probleem relevant in de metafysica?
  • Leg uit: verbeelding is geen betrouwbare gids voor de exploratie van wat mogelijk is.
  • Formaliseer: het is contingent waar dat ik nu in Leuven ben.
  • Leg uit: proposities zijn functies van werelden naar waarheidswaarden.
  • Geef enkele interpretaties van ‘noodzakelijkheid’.
  • Leg uit: namen zijn rigiede verwijzers.
  • Wat is het onderscheid tussen sterke en zwakke rigiede verwijzers? Is jouw naam een sterke rigiede verwijzer?
  • Geef een formeel criterium waaraan een rigiede verwijzer moet voldoen.
  • Leg uit: Kripke’s theorie over namen werkt met een Russelliaanse conceptie van proposities.
  • Wat legt de referentie van een naam vast volgens Kripke?
  • Onze opvattingen determineren niet de referentie van een naam. Leg dit uit.
  • Leg de kritiek van Kripke op Kant uit.
  • Bespreek actualisme omtrent mogelijke werelden.
  • Niet-actuele werelden hebben niet dezelfde realiteitswaarde als de actuele wereld: leg uit en illustreer met een treffend voorbeeld
  • Hoe zeg je volgens Quine dat iets (eenhoornen, centauren, quarks, …) bestaat?
  • ‘In modaal redeneren houden we de taal constant’: leg het belang uit van dit punt in de theorie van Kripke
  • ‘Indien ‘Elsschot’ naar Gerard Reve zou verwijzen, dan zou Elsschot De Avonden hebben geschreven: waar of onwaar? Waarom?
  • Geef het formeel criterium waaraan een rigide designator moet voldoen.
  • Hoe verklaar je de illusie van contingentie van de identiteitsuitspraak ‘Mark Twain = Samuel Clemens’?
  • Leg uit: wederzijdse interpretatie is een explanatorische praktijk.
  • Is onderling begrip het doel van communicatie?
  • Bespreek ignorantie en feilbaarheid als kenmerken van onze mentale economie
  • Leg uit: in radicale interpretatie onderzoeken we niet hoe we het concept ‘overtuiging’ gebruiken.
  • Waarom wordt in radicale interpretatie geen praktijk gestipuleerd?
  • Wat is de relatie tussen letterlijke betekenis en post-semantische doelstellingen van een spreker?
  • Wat is Schellingiaanse convergentie? Waarom is dit relevant in de taalkunde/taalfilosofie?
  • Verklaar: het interpreterende standpunt is geen filosofisch standpunt.
  • Leg uit: post-semantische doelstellingen laten de letterlijke betekenis van een zin ongemoeid.
  • De interpretator gebruikt haar concepten en haar taal om intentionele handelingen te begrijpen, maar deze observatie is van veel minder filosofisch belang dan we geneigd zijn te denken.Wat betekent dit?
  • Wat zegt radicale interpretatie over onze conceptie van objectiviteit?
  • Leg uit: een interpretator moet simultaan de betekenis van X’ woorden en de inhoud van diens overtuigingen invullen.
  • Tussen taal en onze extra-linguïstische doelstellingen bestaat een positieve wapenwedloop. Leg uit.
  • Leg uit wat P.F. Strawson en D. Davidson over abnormaliteit en communicatie vertellen.
  • Hoe zou je een verband kunnen leggen tussen interpretatie en cognitieve imperfectie?
  • Bespreek de triangulaire relatie tussen interpretator, geïnterpreteerde persoon en gemeenschappelijke reacties op objecten/gebeurtenissen.
  • Bespreek de taalfilosofische relevantie van metafysisch realisme en idealisme.
  • Reconstrueer Davidsons argument tegen linguïstisch idealisme.
  • ‘Taal is een coördinatiesysteem’: leg uit. Hoe staat die opvatting over taal tegenover die van Kant en het idealisme?
  • Leg uit: met taal construeren we objecten. Wat is een manifeste leeswijze van dit inzicht? Wat is de transcendentale leeswijze?

2009-2010 (Filip Buekens?)

  • Leg uit en argumenteer: de (letterlijke) betekenis van een zin kun je vastleggen met behulp van de voorwaarde waaronder die zin waar is.
  • Leg uit en beargumenteer: de semantische waarde van een woord is wat dat woord bijdraagt tot de voorwaarde waaronder de zin (waarin het voorkomt), waar is.
  • Welke argumenten geeft Frege voor zijn stelling dat niet de betekenis van een woord maar de betekenis van een zin het uitgangspunt moet zijn in een theorie over de semantiek?
  • Leg het verband tussen de functie van taal en opvattingen over semantiek.
  • Wat is er mis met Locke’s opvatting van betekenis ?
  • Frege’s opvattingen over semantiek
  • Leg uit en beargumenteer: de Betekenis (Sinn) van een naam determineert de referentie van die naam. Welke moeilijkheden zag Frege in de theorie dat de semantische waarde van een naam met zijn referentie samenvalt? Welke oplossing stelde hij voor?
  • Leg uit en beargumenteer hoe je twee opvattingen van de Fregeaanse Betekenis en zijn relatie tot de referentie kan hebben: betekenis als referentie-determinerend, en betekenis als wijze waarop een object gegeven is. Waarom is dit onderscheid nuttig?
  • Wat zijn intensionele contexten en welke rol spelen ze in Frege’s opvattingen van de semantiek?
  • Leg Frege’s principe uit dat ‘een woord enkel in de context van een zin betekenis heeft’.
  • Leg uit hoe Frege vanuit een analyse van de betekenis van identiteitsuitspraken ertoe komt om Betekenissen aan eigennamen toe te kennen.
  • Bespreek en beargumenteer hoe Frege het probleem van fictionele namen in zijn semantiek integreert. Wat vind je zelf van die oplossing ?
  • Waarom is identiteit volgens Frege géén relatie tussen de semantische waarde van namen?
  • Waarom is identiteit volgens Frege geen relatie tussen namen?
  • Leg uit hoe Descriptivisme volgens Frege een oplossing biedt voor spreken over fictionele entiteiten
  • Wat is Leibniz’ principe van de niet-onderscheidbaarheid van identiteit?
  • Bespreek Frege’s notie van functie in zijn betekenistheorie..
  • 'Een zin is geen loutere opsomming van woorden': verklaar. Wat zegt Frege hierover?
  • Bespreek Frege’s opvatting van de existentiële quantor en verklaar waarom dit geen eerste-orde concept is.
  • Kripke, namen en modale intuïties
  • Bespreek en beargumenteer de modale argumenten van Kripke tegen Frege’s theorie over de betekenis van eigennamen.
  • Bespreek en beargumenteer hoe Kripke de concepten noodzakelijkheid/a priori/analyticteit uit elkaar houdt. Geef een argument voor (en voorbeeld van) het bestaan van contingente a priori uitspraken.
  • Bespreek en beargumenteer het onderscheid tussen wat we ons kunnen voorstellen dat het geval is, en wat mogelijk het geval is. Waarom is dit onderscheid relevant voor Kripke? Illustreer je antwoord met voorbeelden.
  • Geef een overzichtelijke uiteenzetting van wat Kripke met mogelijke wereld bedoelt, hoe dit concept onze modale intuïties helpt articuleren en hoe het gebruikt kan worden om sommige emoties preciezer te beschrijven.
  • Bespreek en beargumenteer het onderscheid tussen de volgende vragen: (i) Wie is Nietzsche? (ii) Naar wie verwijst de naam ‘Nietzsche’? en (iii) hoe komt het dat de naam ‘Nietzsche’ naar Nietzsche verwijst ?
  • Construeer een schema van drie verzamelingen die intersecteren: verzameling van de noodzakelijke, de analytische en de a priori waarheden. Situeer in de juiste de deelverzamelingen van die drie verzamelingen de voorbeelden 'water is vloeibaar', 'water is H20', 'Alle vrijgezellen zijn ongehuwd', 'Laten we 'Piet' de uitvinder van de wasautomaat' noemen' en 'Alles heeft een oorzaak'.
  • Geef Kripke’s argumenten voor de stelling dat Willem Elsschot noodzakelijk identiek is met Alfons de Ridder. Geef twee argumenten (die Kripke verwerpt!) voor de stelling dat deze uitspraak alsnog contingent zou zijn.
  • Volgens Frege determineert de Betekenis van een naam zijn referentie. Wat determineert de referentie van een naam volgens Kripke?
  • De bewering als taalhandeling
  • Leg het verschil uit tussen de bewering en de propositie die beweerd wordt. Laat zien hoe dit onderscheid de basis vormt voor het semantiek/pragmatiek-onderscheid.
  • Leg uit: uit de propositie die iemand uitdrukt, kun je niet afleiden welke taalhandeling hij (zij) met die propositie stelt.
  • Bespreek het Frege-Geach argument. Leg uit: ook morele uitspraken hebben waarheidsvoorwaarden.
  • Tijdens het college werden enkele voorstellen bespreken voor de norm van een correcte bewering. Welke waren die voorstellen? Vind je de kennisnorm voor beweringen (asserties) plausibel?
  • Tijdens het college werd de kennisnorm voor beweringen verdedigd. Maar er zijn nog andere niet-epistemische normen waaraan beweringen moeten voldoen: geef enkele van die normen, en laat zien in welke context ze relevant zijn. Geef ook een voorbeeld van een ware en correcte bewering die toch moreel tekort schiet.
  • Leg uit hoe de intellectuele deugden van eerlijkheid en accuraatheid (terug te vinden bij Bernard Williams, Truth and Truthfulness) betrekking hebben op beweringen.
  • Leg het verband uit tussen de Paradox van Moore en de norm voor correcte beweringen.
  • Algemene vraag bij Davidson : geef op een door jou zelf gekozen punt kritiek op de Wittgenstein-Davidson argumentatie (‘interne verkenning van het manifeste wereldbeeld’) die in de twee laatste colleges gepresenteerd werd. Onderbouw je kritiek met stevige argumenten, eventueel (maar niet noodzakelijk) met verwijzing naar andere filosofen die het met de opgevoerde argumentatie oneens zijn.
  • De Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe schrijft het volgende: ‘Zijn theorie (die van Lacan, FB) staat zelfs in radicale oppositie tegenover de communicatietheorie als dusdanig, omdat Lacan ervan uitgaat dat communicatie altijd een mislukking is, en dat dit precies de reden is waarom we blijven doorgaan met praten. Zo we elkaar zouden begrijpen, dan zouden we zwijgen en de perfecte communio zou plaatsgrijpen in een passende stilte met de handen voor de gesloten ogen.’ Wat zou je vanuit Frege op deze stelling kunnen inbrengen? Wat zou je vanuit Davidson tegen deze radicale opvatting kunnen inbrengen? En vanuit Wittgenstein?
  • Verdere vragen over Davidson / Radicale interpretatie (je mag de tekst gebruiken): Vind je het juist de skeptische optie meteen opzij te schuiven? Geef een argument voor je opvatting. (Je hoeft mijn opvattingen niet te volgen!)
  • Leg uit: begrijpen is nooit een doel op zich. Wat zou Frege hierover zeggen?
  • Davidson vs. Kripke ? Kripke stelde dat we zelfs naar Aristoteles kunnen verwijzen wanneer veel van wat we denken over Aristoteles verkeerd zou zijn. Wat zou Davidson daarop antwoorden?
  • Vind je het relevant van de assumptie uit te gaan dat communicatie meestal slaagt?
  • Wat denk je van feiten? Wat bedoelt iemand als hij zegt: dat is geen vermoeden, maar een feit?
  • Leg radicale interpretatie uit als een coördinatie-oefening. Ben je het met dat beeld eens?
  • Ben je het eens met de stelling dat radicale interpretatie een goed uitgangspunt is om taal te bestuderen?
  • Leg uit: je kan betekenis analyseren, maar ook kijken naar de functie van woorden.
  • Vergelijk Frege’s opvatting van Betekenis met die van Wittgenstein.
  • Waarom is de spel-analogie die men soms hanteert in taalfilosofie zo misleidend?
  • Leg uit: Meaning is use.
  • Wat zou je vanuit de besproken taaltheorieën kunnen zeggen over poëtisch en metaforisch taalgebruik?
  • Wat zou je vanuit de besproken taaltheorieën kunnen zeggen over fictie (romans bv.)?
  • Wat zou je vanuit de besproken taaltheorieën kunnen zeggen over het onderscheid tussen gewone communicatie en wetenschappelijk taalgebruik?

2008-2009 (Filip Buekens?)

  • Bespreek het onderscheid tussen en geef een argument voor het onderscheid tussen semantische en presentationele betekenis. Met welk type betekenis opereert de logica?
  • Welk argument toont dit aan?
  • Geef de verschillende betekenissen van het woord ‘betekenis’ en geef argumenten voor het onderscheid tussen natuurlijke en niet-natuurlijke betekenis. Van wie is dit onderscheid? Pas het toe met voorbeelden. Werk dit onderscheid uit voor verschillende correlatieve vormen van begrijpen.
  • Het onderscheid tussen semantische en presentationele betekenis is van belang voor de semantiek. Laat zien wat je niet begrijpt wanneer je de presentationele betekenis van een zin niet begrijpt. Kun je de presentationele betekenis van een zin begrijpen zonder zijn semantische betekenis te begrijpen? Hoe zou je dit onderscheid kunnen toepassen op woorden (i.p.v. zinnen) ?
  • Leg uit en argumenteer: de (letterlijke) betekenis van een zin kun je vastleggen met behulp van de voorwaarde waaronder die zin waar is.
  • Leg uit en beargumenteer: de semantische waarde van een woord is wat dat woord bijdraagt tot de voorwaarde waaronder de zin (waarin het voorkomt), waar is.
  • Leg uit en beargumenteer: de voorwaarde waaronder een zin waar is, valt niet samen met de presentationele betekenis van die zin.
  • Welke argumenten geeft Frege voor zijn stelling dat niet de betekenis van een woord maar de betekenis van een zin het uitgangspunt moet zijn in een theorie over de semantiek?
  • Leg uit en beargumenteer: de Betekenis (Sinn) van een naam determineert de referentie van die naam. Welke moeilijkheden zag Frege in de theorie dat de semantische waarde van een naam met zijn referentie samenvalt? Welke oplossing stelde hij voor?
  • Leg uit en beargumenteer hoe je twee opvattingen van de Fregeaanse Betekenis en zijn relatie tot de referentie kan hebben: betekenis als referentie-determinerend, en betekenis als wijze waarop een object gegeven is. Waarom is dit onderscheid nuttig?
  • Wat zijn intensionele contexten en welke rol spelen ze in Frege’s opvattingen van de semantiek?
  • Leg Frege’s principe uit dat ‘een woord enkel in de context van een zin betekenis heeft’.
  • Leg uit hoe Frege vanuit een analyse van de betekenis van identiteitsuitspraken ertoe komt om Betekenissen aan eigennamen toe te kennen.
  • Bespreek en beargumenteer hoe Frege het probleem van fictionele namen in zijn semantiek integreert. Wat vind je zelf van die oplossing ?
  • Vraag uit gastcollege Wittgenstein (Leilich): leg de picture theory of meaning uit. Welke kritiek zou je op die theorie kunnen formuleren?
  • Waarom is identiteit volgens Frege géén relatie tussen de semantische waarde van namen?
  • Leg uit hoe Descriptivisme volgens Frege een oplossing biedt voor spreken over fictionele entiteiten.
  • Kripke, namen en modale intuïties (Opgelet: Studenten Filosofie krijgen zeker één vraag uit dit deel van de leerstof !)
  • Bespreek en beargumenteer de modale argumenten van Kripke tegen Frege’s theorie over de betekenis van eigennamen.
  • Bespreek en beargumenteer hoe Kripke de concepten noodzakelijkheid/a priori/analyticteit uit elkaar houdt. Geef een argument voor het bestaan van contingente a priori uitspraken.
  • Vraag enkel voor filosofiestudenten: Hilary Putnam heeft Kripke’s theorie over eigennamen toegepast op natuurlijke soortnamen. Vergelijk hun argumentaties. Met soortnamen correleren stereotypische kenmerken. Welke plaats zouden stereotypische kenmerken van personen hebben in Kripke’s theorie? (Zie Het Teken en de Wereld)
  • Bespreek en beargumenteer het onderscheid tussen wat we ons kunnen voorstellen dat het geval is, en wat mogelijk het geval is. Waarom is dit onderscheid relevant voor Kripke? Illustreer je antwoord met voorbeelden.
  • Geef een overzichtelijke uiteenzetting van wat Kripke met mogelijke wereld bedoelt, hoe dit concept onze modale intuïties helpt articuleren en hoe het gebruikt kan worden om sommige emoties preciezer te beschrijven.
  • Bespreek en beargumenteer het onderscheid tussen de volgende vragen: (i) Wie is Nietzsche? (ii) Naar wie verwijst de naam ‘Nietzsche’? en (iii) hoe komt het dat de naam ‘Nietzsche’ naar Nietzsche verwijst.
  • Vraag enkel voor filosofiestudenten: Construeer een schema van drie verzamelingen die intersecteren: verzameling van de noodzakelijke, de analytische en de a priori waarheden. Situeer in de juiste de deelverzamelingen van die drie verzamelingen de voorbeelden 'water is vloeibaar', 'water is H20', 'Alle vrijgezellen zijn ongehuwd', 'Laten we 'Piet' de uitvinder van de wasautomaat' noemen' en 'Alles heeft een oorzaak'.
  • Geef Kripke’s argumenten voor de stelling dat Willem Elsschot noodzakelijk identiek is met Alfons de Ridder. Geef twee argumenten (die Kripke verwerpt!) voor de stelling dat deze uitspraak alsnog contingent zou zijn.
  • Hoe komen namen aan hun semantische waarde volgens Kripke?
  • De bewering als taalhandeling (OPGELET: studenten communicatiewetenschappen krijgen zeker een vraag uit dit deel van de leerstof !)
  • Leg het verschil uit tussen de bewering en de propositie die beweerd wordt. Laat zien hoe dit onderscheid de basis vormt voor het semantiek/pragmatiek-onderscheid.
  • Leg uit: uit de propositie die iemand uitdrukt, kun je niet afleiden welke taalhandeling hij (zij) met die propositie stelt.
  • Bespreek het Frege-Geach argument.
  • Tijdens het college werden enkele voorstellen bespreken voor de norm van een correcte bewering. Welke waren die voorstellen? Vind je de kennisnorm voor beweringen (asserties) plausibel?
  • Tijdens het college werd de kennisnorm voor beweringen verdedigd. Maar er zijn nog andere normen waaraan beweringen moeten voldoen: geef enkele van die normen, en laat zien waarom ze bv. epistemologisch of ethisch relevant zijn. Geef ook een voorbeeld van een ware en correcte bewering die toch ethisch tekort schiet.
  • Leg uit hoe de intellectuele deugden van eerlijkheid en accuraatheid (terug te vinden bij Bernard Williams, Truth and Truthfulness) betrekking hebben op beweringen.
  • Leg het verband uit tussen de Paradox van Moore en de norm voor correcte beweringen.
  • Pragmatiek: Grice over implicaturen (OPGELET: studenten letteren krijgen zeker een vraag uit dit deel van de leerstof!)
  • Leg het coöperatieprincipe van Grice uit en verbindt het met de maximes van Grice. Geef kort de speltheoretische achtergrond van het coöperatieprincipe.
  • Bespreek het Maxim of Quality en leg een verband met het Principle of Charity vanDonald Davidson. (Zie ook vragen in sectie VI).
  • Geef een eigen voorbeeld van een toepassing van de Maxim of Quality en de Maxim of Quantity.
  • Leg het onderscheid uit tussen wat de spreker zegt en wat iemand impliceert (door iets te zeggen).
  • Leg uit: iets impliceren is een intentionele handeling en een communicatieve handeling. Waarin onderscheiden zich communicatieve handelingen van gewone, intentionele handelingen?
  • Welke testen stelt Grice voor om Implicaturen (geïmpliceerde inhoud) te identificeren?
  • Wat zegt Grice over de materiële implicatie, en wat we met ‘als… dan’ zinnen kunnen impliceren? (Géén vraag voor communicatiewetenschappers!)
  • Denkvraag voor iedereen: wanneer je een uiting evalueert op haar waarheidswaarde, hou je dan rekening met de implicaturen? Waarom wel? Waarom niet?
  • De Taalfilosofische van Donald Davidson (Leerstof voor iederen, tenzij aangeduid !)
  • Vraag voor Filosofen, niet voor anderen: wat hebben John Rawls, Hilary Putnam en Donald Davidson gemeen? Vertel een coherent verhaal over de argumentatieve waarde van gedachtenexperimenten (open vraag – elk creatief antwoord wordt geapprecieerd !)
  • Bespreek Davidsons uitgangspunt in de semantiek: ‘We leren iets over betekenis door te kijken naar de wijze waarop we betekenis achterhalen.’
  • Bespreek de analogie tussen het wegen van objecten en het interpreteren van personen. Wat is conventioneel en wat is constitutief aan meten?
  • Bespreek Davidson’s stelling dat het begrijpen van een bewering veronderstelt dat je de betekenis van de gebruikte zin kent én weet wat die persoon gelooft.
  • Wat zijn constitutieve principes? Hoe functioneren ze? Geef voorbeelden. Welke functie hebben ze bij Davidson?
  • Leg uit; ‘Radicale interpretatie is iets wat we voortdurend doen’. Geef voorbeelden. Wat leren we hieruit ?
  • Leg uit: Griceaanse principes kun je als constitutieve principes voor interpretatie opvatten. Bespreek de band tussen Grice en Davidson.
  • Welke status heeft de stelling dat de meeste van onze opvattingen waar zijn in de filosofie van Davidson? Welke kritiek zou je daartegen invoeren? (Open vraag – elk creatief antwoord is welkom.)
  • Bespreek het onderscheid tussen objecttaal en metataal, en waarom / hoe dit voor Davidson belangrijk is in zijn gedachtenexperiment.
  • Bespreek de rol van het constitutieve principe dat de meeste van onze opvattingen waar zijn in Davidsons argument tegen relativisme.
  • Bespreek de rol van het constitutieve principe dat de meeste van onze opvattingen waar zijn in Davidsons argument tegen metafysisch realisme.
  • Geef enkele voorbeelden van contructivistische en relativistische opvattingen in de filosofie (Putnam, Hacking, …).
  • Leg uit: wanneer X een intentie heeft, die niet realiseerbaar is, dan is die intentie irrationeel.
  • Bespreek globaal de strategie van Davidson om relativisme en metafysisch realisme te weerleggen.
  • Denkvraag (enkel voor Filosofie-studenten): de stelling van Davidson dat de meeste van onze opvattingen waar zijn, heeft ook veel kritiek gekregen (‘alle wetenschappelijke theorieën bleken onwaar, we hadden ooit veel onware overtuigingen over de wereld (denk aan hekserij, psychische stoornissen, …). Wat denk je hiervan? (Elke goed onderbouwde eigen mening wordt geapprecieerd). (Zie ook vraag hierboven.)
  • Bespreek de verschillende aspecten van de analogie tussen het meten van eigenschappen van objecten en het interpreteren van personen.
  • Vraag gastcollege Wittgenstein: bespreek kort de picture theory of meaning van Wittgenstein. Illustreer met voorbeelden. Wat zei de latere Wittgenstein over die theorie?
  • Namen als functies van werelden naar objecten in een wereld
  • Negen is noodzakelijk groter dan zeven
  • Niet-natuurlijke betekenis en Natuurlijke betekenis
  • Lijst van namen, technische begrippen en termen die je kort moet kunnen uitleggen of waarover je iets moet kunnen zeggen dat relevant is voor dit vak. Doe (bij twijfel) wat eigen opzoekingswerk !
  • ‘Willem Elsschot is Alfons de Ridder’
  • Actualisme vs. possibilisme over mogelijke werelden
  • Boghossian vs. Putnam over ‘hoeveel objecten er bestaan’
  • Beledigende woorden
  • Betekenis determineert referentie
  • Communicatie als kennistransmissie
  • Compositionaliteitsprincipe
  • Constitutief principe
  • Conventionele implicatuur
  • Context-principe in de semantiek (‘Enkel in de context van een zin hebben woorden betekenis…’)
  • Conventionele implicatuur en de conjunctie
  • Coöperatieprincipe
  • De niet-elimineerbaarheid van modus ponens
  • Existentieuitspraken bij Frege
  • Fictionele entiteiten en Frege’s semantiek
  • Frege-Geach argument tegen expressionisme
  • Gedachtenexperimenten in taalfilosofie
  • Hacking, Ian
  • Huw Price over normen voor beweringen
  • Implicaturen vs. wereldkennis
  • Kennisnorm voor beweringen
  • Metaforen
  • Perry, John
  • Presentationele betekenis
  • Putnam, Hilary
  • Relevantie van taalfilosofie voor meta-ethiek
  • Semantiek vs. pragmatiek
  • Semantische waarde (semantic value)
  • Sense determines reference (twee interpretaties van …)
  • Taalhandelingen en propositionele attituden
  • Timothy Williamson over normen voor beweringen
  • Verbeelding en modale intuïties
  • Voorstelbaarheid en mogelijkheid
  • Waarheidsvoorwaarde
  • Waarheidswaarde
  • Institutionele feiten vs. brute feiten (E. Anscombe)
  • Metafysisch realisme
  • Relativisme
  • Proposities

2006-2007

  • De wolkenkrabber van Aristoteles
  • Wat is volgens de sofisten “het juiste gebruik” van woorden? En voor Plato?
  • Wat was het ideaal van de speculatieve grammatici?
opo/nl/ba3/sem2/taalfilosofie.txt · Last modified: 09-07-2021 11:33 by nfk